Hollands poldermodel

Martin Bril, de ogen en oren van Nederland tot hij in 2009 overleed. Tenminste dat was hij voor mij in zijn verhalen die ik las op de voorpagina van de krant die bij mijn ouders op de deurmat viel. De karakters van Bril zijn vaak toevallige passanten in zijn observaties van dagelijkse bezigheden waarin je even wordt meegezogen. De geest van Martin Bril dwaalt vast nog rond in de vroege middag op menig dorpsplein ergens in Nederland. De ik-was-toch-echt-een-Chanel-man loopt daar in zijn colbert, met daaronder een witte bloes afgetopt met prima schoeisel. In zijn wat dunner geworden grijze haar zit een leesbril verstopt en met een guitige blik al observerend luistert hij ongegeneerd mee met andermans gesprekken. 

Een van mijn favoriete uit Martin Bril’s pen is een column over de Vleutenseweg in Utrecht. Ik heb jaren in de wijk naast deze straat op kamers gewoond. De column werd afgedrukt in het wijkkrantje van Nieuw Engeland. Na het lezen scheurde ik de bladzijde met de tekst eruit en hing het op de deur van het toilet in huis. Fietsen over de Vleutenseweg is voor mij nog steeds pure nostalgie en thuiskomen tegelijk. Hetzelfde gevoel ervaar ik als ik Bril zijn observatie over de nog door Napoleon aangelegde weg in mijn thuisstad lees.

Ik stel me het moment voor dat je de column leest en de vrouw herkent op de fiets…

Ik vraag me af er ooit lezers zijn geweest die zich hebben herkend in een van de personages in Bril’s columns. Ik stel me het moment voor dat je de column leest en de vrouw herkent op de fiets die woedend de schrijver aankeek. Het schaamrood op je kaken inmiddels, terwijl je terugdenkt aan dat moment dat je op straat aan de telefoon was met je knipperlicht-scharrel-toekomstige-misschien-ooit-men-to-be-nu-vooral-enige-bedpartner. Als inspiratiebron slik je nog eens, omdat hij je woeste blik al schrijvend heeft vastgelegd en je laat het maar aan je nu-is-het-wel-de-officiële-vriend lezen. Die begint heel hard te lachen en elke gelegenheid die zich daarop volgend aandient wordt Bril’s verhaal te pas en te onpas voorgelezen. Of misschien is dit vooral mijn eigen verborgen verlangen nog van vroeger om inclusief gênant moment te dienen als inspiratie en te eindigen als een karakterschets in Martin Bril zijn column.

Mijn oren en mijn ogen kon ik van het tafereel voor me niet afhouden.

Er is heb ik besloten voor mij een gulden middenweg en daarvoor hoef ik niet ergens achter in een dorpscafé aan de toog plaats te nemen. Een verhaal ligt vaak op straat of ik fiets er op een werkdag zo goed als tegen aan. Afgelopen zomer werd ik met de Martin Bril op meegezogen  in de observatie van een voorbij razende vrouw, die terwijl ze in haar telefoon schreeuwde mij voorbij fietste. Mijn oren en mijn ogen kon ik van het tafereel voor me niet afhouden. De vrouw reed op een mannenfiets en hoe vaak zie je dat nou. Er was een gevoel van herkenning, zoals ik zelf ooit als 9-jarige op een Pietje Pelle jongensfiets reed en je been hoog over de stang moest zwaaien alvorens op het zadel te kunnen zitten.

Maar die vrouw dus, ze zag er stoer uit met haar fuchsia roze T-shirt en daaronder een bruine broek met van die zakken aan de zijkant. Zij reed bijna naast me op een andere weg die diagonaal loopt met het fietspad waar ik ‘s ochtends naar en ‘s avonds terug van mijn werk op rijd. De wegen lopen naar elkaar toe en dan is er het kruispunt waar we elkaar bijna raken. Ik volg haar met mijn blik van op zij en zie donkerbruin haar dat glanst door de zon die al volop schijnt. Het zit praktisch in een dikke paardenstaart gebonden, terwijl het boven haar schouders meedeint.

Wie is de persoon aan de andere kant van de lijn?

Ik hoor haar  luid en duidelijk, want ze vloekt hevig, of  nog beter gezegd, al tierend gaat ze los op het apparaat in haar hand. Het ritme van haar stem loopt bijna gelijk met de krachtige slagen op haar pedalen. Het gesprek is misschien wat eenzijdig of beeld ik me dat in, want alleen haar stem klinkt luid en duidelijk. Wie is de persoon aan de andere kant van de lijn? Hoe kun je zoveel boosheid in een keer ventileren? Een golf van misselijkheid borrelt in me omhoog. Fietst de vrouw misschien ook hard, omdat ze ergens nog op tijd moet zijn? Deze vrouw voor me is een Hollands poldermodel, doordat ze een flinke ruzie in de kiem smoort met een gezonde fietstocht op een prachtige zomerdag.

Ik word verder meegezogen in haar uitputtingsslag.

Ondertussen vraag ik me sterk af of ze de andere persoon aan de lijn nog ooit zal terugzien. Ik word verder meegezogen in haar uitputtingsslag. Het is een nu of nooit moment. Dit doet me denken aan het laatste stukje van een zware bergetappe in de Tour de France, terwijl ze daarbij ook nog de telefoon verticaal onder haar mond houdt. Voor me vormt zich een hoogtepunt als ik de vrouw de telefoon dichter bij haar mond zie reiken. Haar hoofd is nu volledig rood aangelopen en dan hoor ik een brul gevolgd door een uithaal: “KLOOOOTZAKK!!!!!” Ze overstijgt bijna zichzelf, maar blijft ook gewoon rechtop op haar fiets zitten.

Op het kruispunt gaat ze voor me langs en we fietsen allebei weer onze eigen richting op. De telefoon zie ik met een snelle beweging wegglijden in haar broekzak en ze neemt een ruime bocht richting de kantoren voor me. Zou ze haar boosheid achter zich kunnen laten? Of fietst ze nu met een waas voor haar ogen door? Misschien is ze vlakbij haar eindbestemming. Daar aangekomen stapt ze af, zwaait haar been over de stang en zet ze haar fiets op slot. Ze loopt een van die kantoorgebouwen binnen en neemt aangekomen bij haar bureau zwijgend achter het computerscherm plaats.