Gegeven jas

Ik duw de klapdeur open, loop naar binnen en groet de bewakers achter de receptie. Daar meld ik me ook meteen. Mijn paspoort wordt door een van hen gecheckt en mijn nummer wordt genoteerd. Ik mag een krabbeltje zetten, waardoor ik mijn komst nog even bevestig. In ruil daarvoor ontvang ik een bezoekerspas. Het is de tweede keer dat ik deze locatie bezoek. Een plek waar je waarschijnlijk niet snel terecht zal komen. Het gaat om een noodopvang voor NGN’s: Nog Geen Nederlanders (Nog is ook vaak Nooit).

Ik loop voorbij een grote zitkuil richting collega’s van de organisatie waarvoor ik vrijwilliger. Mensen zitten in en rondom de zitkuil, sommigen gefocust op hun telefoon of voor zich uit starend. Wat ooit een school was is nu een tijdelijk beschikbaar gemaakt voor opvang. Ondanks de aanwezigheid van mensen, voelt het gebouw niet als bewoond. Het wordt geen thuis, voor niemand lijkt het. De tijdelijkheid is geworteld.  In een geïmproviseerd kantoortje worden voorbereidingen getroffen voor het uitdelen van jassen  aan de mensen hier. Gezien de matige temperaturen voor veel mensen een noodzakelijk kledingstuk. Bij mijn eerste bezoek was ik erbij toen jassen werden uitgedeeld aan vrouwen en kinderen. Vandaag zijn de mannen aan de beurt.

Bij een van de uitzoekrondes zie ik een hele snelle kiezer.

Er is een inloop georganiseerd en op de tafels liggen de jassen per maat uitgestald.  De eerste groep loopt binnen en begint te zoeken naar een geschikte jas. De een heeft er snel één gevonden, de ander bekijkt de jas zorgvuldig of wacht tijdens het passen het oordeel af van deelgenoten. Bij een van de uitzoekrondes zie ik een hele snelle kiezer. Hij pakt een ski-jas met een blauw ruitjes patroon eruit, eentje waar ik en een collega-vrijwilliger zelf enthousiast over zijn. Een exemplaar dat zo goed als nieuw is. De snelle kiezer past ‘m en knikt nog even mijn kant op, om denk ik zijn goedkeuring voor z’n vondst te laten blijken. Er volgen nog verschillende uitzoekrondes, de stapel met gedoneerde jassen slinkt gaandeweg steeds verder.

Dan ineens is er reuring in de nieuwe groep die net binnen is komen lopen. Ik zie tussen de mannen een vrouw verschijnen, met aan haar zijde de man met de geblokte ski-jas aan. De mannen vragen zich af wat deze vrouw hier doet. De man doet zijn net gekozen vondst uit en legt ‘m terug op te stapel jassen. De vrouw haalt ondertussen uit de stapel een grijze jas. Ze geeft ‘m aan de man, die de jas direct ook aanpast. Deze zit als gegoten en de vrouw geeft haar goedkeuring. Beide bedanken ons en laten mij en de omstanders na deze snelle inruilactie enigszins verbaasd achter. Ik zie ondertussen dat het ski-jack een nieuwe eigenaar heeft gekregen.

Er verschijnt lichte paniek in hun ogen.

Niet veel later hoor ik een van de medewerkers van de opvang vragen of iemand een man met een geblokt ski-jack heeft gezien. Ik stap naar voren en vraag wat er aan de hand is. De man met de grijze jas en wat blijkt zijn vrouw hebben de medewerker vertelt dat er nog sleutels van hun kamer in de geblokte jas zitten. Er verschijnt lichte paniek in hun ogen. Aangezien ik de nieuwe eigenaar van de jas gezien heb, besluit ik rond te kijken of ik hem ergens zie lopen. Ik doe navraag, maar niet iedereen begrijpt me of kan me verder helpen. Uiteindelijk loop ik zonder succes terug naar de man en de vrouw. Beiden verontschuldigen zich, de man wijst naar zijn broekzak waar hij de eerder gezochte sleutels uithaalt. Dat ‘de jas geven’ een oude Nederlandse uitdrukking is voor een teleurstelling of tegenvaller hoop ik dit koppel ooit nog eens uit te leggen.