Dromdomdom

Drommen, gemis van het drommen. 
Met Koningsnacht op de Vrijmarkt 
of een zaterdag op de Oudegracht. 
De dagjesmensen willen drommen.
Het alledaagse drommen.
Drommen is dat wel of niet voor de dommen? 
Hou me niet van de domme. 
Mis het niet dat drommen. 
Het benauwd me. 
Slokt me op. 
Dagjesmensen? 
Ik kan dagen, weken, maanden zonder.

Dagjesmensen dromden tot voor kort nog volop om de Dom.
Die besloot ingepakt en wel veilig in quarantaine te gaan, 
ruim voor de ingestelde vrijheidsbeperkingen. 
Social distancing gebeurde al eeuwen geleden, 
toen het middenstuk de storm niet overleefde 
en de achterkant op veilige afstand bij de Dom bleef staan.
Het bord ‘verboden te drommen’ hangt nog nergens.
Op gele borden staan zwarte letters met soortgelijke context.
Dagjesmensen drommen door met sociaal gedrag.
Bejaarden zagen nog nooit zoveel mensen voor hun ramen staan. 
Uitbundig zwaaiend. 
Sommige met afgestofte instrumenten van zolder gehaald. 

Drommen bij de Dom is in het gedrang. 
Ik loop mijn dagelijkse rondje dwars erdoor. 
Voel ik iets? 
Nee, geen tranen die opwellen.
Geen oprukkende gevoelens om de Dom te knuffelen. 
Ik en de Dom zijn verdomd goede vrienden geworden. 
In stilte ademen we dezelfde heldere blauwe lucht in. 
Zien wel wat de dag brengt. 
“Verdomme Dom, sociaal gedrang raakt me maar niet”,
schreeuw ik tegen mijn trouwe vriend. 
Met de banaliteit van het sentiment op een gepaste afstand. 

De Dom houdt zich niet van de domme 
en presenteert mij de nieuwe realiteit. 
Drommen behoort nu tot iets uit een verleden, 
dat nog zo kort geleden lijkt. 
Dagelijks verzamelen meer vrienden van de Dom.  
Het Domplein gevuld met zuivere sentimentaliteit. 
Liefde van DomUnder tot aan de gouden haan en weer terug.
Ik kijk vol trots omhoog, dan opzij.  
Mijn lief neuriet mee met de klokken.
Die het loflied spelen voor onze vriend.

Het gedicht ‘Dromdomdom‘ verscheen op 15 april jl. op coronagedicht.nl