Zwart randje

In de Voorstraat zit ik op een bankje voor het raam van een kledingwinkel. Naast mij twee vrouwen vers van of op weg naar de sportschool. Beiden gehuld in kleurrijke yogakledij. De een zit met een koffie verkeerd in haar handen geklemd, de ander stopt een lepel in haar latte machiatto. Nippend drink ik van een eerder door mij in het naastgelegen koffiehuis bestelde cortado. Aan het verminkte hartje in het schuim ken ik geen verdere betekenis toe.

De zon slaat deze hoek in de straat nog even over, maar is terug onderweg. Een man op een bankje naast mij zegt hardop ‘de stralen te missen’. Gehuld in een wit wollen vest, marine kleurige broek en suède mocassins aan de voeten. Vergane glorie van een verroeste zeilboot duikt op in mijn verbeelding. Zijn grijzige viervoeter ligt op de grond. Haar snoet laat een natte afdruk achter op het trottoir. Eerder hoorde ik haar gejank door de straat, toen de baas net iets te snel op stond. Gevolgd door een direct mea culpa.

Zonder de warmte van het herfstachtige licht is het nu wachten op de laatste zomerse dag van het jaar. Voorbij scharrelend zie ik een postmoderne variant op het ANWB-koppel. Allebei gehuld in het op elkaar afgestemde zwart. Ze lopen samen tegelijk op met elkaars handen in een innige verstrengeling. De andere twee dragen twee stoffen tasjes van ongebleekt katoen. Een symbiose verzorgd met in de puntjes op beide neuzen brillen met een gouden randje.

De warme gloed van de zon vang ik nu bijna. Ik schuif op naar het bankje dat net alle stralen vangt. Wat ik nog tegen het koppel wil zeggen: ‘Vier de liefde in deze laatste zomerstralen. Omlijn het met goud.’ ‘s Avonds, zo zie ik het dan voor me, is het zonder bril weer wazig. Of wordt het helder en doet zelfs het randje er niet toe. Het leven zien door een gouden randje, behalve in de nacht. Het zwarte randje is er dan in het niets.